De eerste maandagochtend is meestal nog leuk. Geen wekker, de tuin eindelijk aan de beurt, koffie om elf uur zonder dat iemand belt. Ergens in week drie of vier komt de vraag die niemand hardop stelt: wat doe ik hier vandaag eigenlijk mee? Niet uit somberheid. Gewoon omdat er veertig jaar lang iemand anders antwoord gaf op die vraag.
Bijna één op de vier gepensioneerden vindt dat hij of zij niet goed is voorbereid op het leven na het betaalde werk. Dat blijkt uit onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB, besproken bij NPO Radio 1 tijdens de Pensioenweek van Omroep MAX. Het gaat daarbij niet in de eerste plaats om geld. Wat lastig blijkt: een nieuw dagritme vinden, sociale contacten op peil houden en de tijd zinvol invullen.
Werk levert vier dingen en het salaris is er maar één van
Petra van Loon, programmamanager bij Samen Ouder Worden, zegt het zo: “Werk gaat niet alleen over inkomen, werk gaat ook over sociale contacten, zingeving en structuur.” Van die vier stopt er op je laatste werkdag maar één met betalen. De andere drie vallen even hard weg, alleen staat daar geen bedrag bij, dus zie je het pas als het al gebeurd is.
Anneke Sipkens, directeur-bestuurder van ANBO-PCOB, ziet dat mensen moeite kunnen hebben met die overgang. Uit het onderzoek komt ook wat gepensioneerden zelf zouden willen: dat werkgevers eerder met hun werknemers nadenken over de laatste jaren vóór het pensioen en over de mogelijkheden daarna.
Wat het onderzoek níét zegt: hoe erg het is. “Niet goed voorbereid” kan betekenen dat iemand na drie maanden zijn draai heeft gevonden, en het kan betekenen dat iemand een jaar later nog steeds op dinsdagochtend niet weet waar hij heen moet. Die twee staan hier in dezelfde kolom van een kwart. Dat is een beperking en die hoort erbij.
Het advies gaat naar de werkgever, de vraag ligt bij de gepensioneerde
Hoogleraar personeelswetenschappen Dorien Kooij vindt dat de voorbereiding niet in het laatste jaar moet beginnen maar door de hele loopbaan heen loopt, omdat motivatie en interesses meeschuiven met de leeftijd. “Jongeren vinden promotie belangrijk, geld, status. Dat verschuift naarmate mensen ouder worden naar je kennis benutten, kennis overdragen en echt iets zinvols doen.”
Dat klopt, en toch zit er een scheve verhouding in. De vraag komt van mensen die al gestopt zijn; het advies gaat naar werkgevers die hen niet meer in dienst hebben. Voor wie volgend jaar met pensioen gaat is dat nog bruikbaar. Voor de kwart die het nú niet weet, is het antwoord dat zijn oude baas het eerder had moeten aankaarten weinig waard. Ons oordeel: dit onderzoek beschrijft een probleem bij gepensioneerden en legt de oplossing bij een partij die op dat moment al buiten beeld is.
Er is nog een reden om er zelf mee aan de slag te gaan. Kooij noemt geleidelijk minder werken of tijdelijk vrijwilligerswerk onder werktijd als manier om te ontdekken wat bij iemand past — nuttig, maar het veronderstelt een werkgever die dat aanbiedt. Wie zzp’er was, in ploegendienst zat of eerder is uitgevallen, heeft die route nooit gehad.
Meer dan de helft doet al iets, en dat wordt niet gezien
Eén cijfer uit hetzelfde gesprek verdient meer aandacht dan het krijgt: volgens Van Loon zet bijna 55 procent van de 65-plussers zich vrijwillig in. Meer dan de helft dus. En toch voelen mensen zich na hun pensioen soms overbodig, zegt zij, omdat betaald werk maatschappelijk zwaarder telt dan vrijwilligerswerk, mantelzorg of iets doen in de buurt. “Die uitnodiging vanuit de samenleving, van: we zien je en we hebben jou nodig, daar kunnen we nog veel aan doen.”
En nu het ongemakkelijke deel voor onze eigen kant. Dit is onderzoek van een ouderenvereniging onder haar eigen achterban. Dat is per definitie een groep die zich al organiseert en dus juist mínder alleen staat dan gemiddeld. Als daar een kwart zegt zich onvoorbereid te voelen, is dat een serieus signaal — maar het is geen doorsnee van alle gepensioneerden in Nederland. En het is ook geen toeval dat een vereniging die opkomt voor ouderen een cijfer publiceert dat om beleid vraagt. Gebruik het als aanleiding, niet als bewijs.
Zet vanavond drie dingen in je agenda voor volgende week
Eén handeling, en hij kost tien minuten. Zet drie afspraken in je agenda voor volgende week die niets met het huishouden te maken hebben: iets met iemand anders, iets buiten de deur, iets waar je iets van leert. Niet omdat dat het gat vult, maar omdat je aan het einde van die week weet welke van de drie je energie gaf. Dat is meer informatie dan welk stappenplan ook.
En omdat het geld eromheen wél telt: het overzicht van wat je van al je werkgevers hebt opgebouwd staat op mijnpensioenoverzicht.nl. Daar log je in met DigiD, dus als je die nog niet gebruikt hebt: DigiD aanvragen en veilig gebruiken legt het stap voor stap uit. Post over uw pensioen komt tegenwoordig grotendeels digitaal binnen; hoe die brievenbus werkt, staat in MijnOverheid uitgelegd. Let wel op wie er belt: rond dit soort berichten duiken altijd mensen op die “even uw pensioengegevens controleren”. Een echte uitvoerder vraagt nooit om uw inloggegevens, en daar begint veilig online bankieren.
De Pensioenweek is een goed moment om dit te agenderen. Het interessante volgt erna: of ANBO-PCOB met dit cijfer alleen bij werkgevers aanklopt, of ook bij gemeenten en verenigingen die die “uitnodiging vanuit de samenleving” wél kunnen sturen. Blijft het bij het eerste, dan blijft het gesprek gaan over de jaren vóór de laatste werkdag — en het probleem zit in de maanden erna.
